Met het water meebewegen

Met het water meebewegen

Auteur: Sander Diks CIA – Ronald van de Langenberg RA CISA
Beeld: NFP Photography
8 min

Nederland is een laaggelegen land in de delta van de Rijn, Maas en Schelde. De afgelopen eeuwen zijn het Rijk en de waterschappen het water steeds beter gaan beheersen. Maar klimaatverandering leidt ertoe dat we misschien meer moeten accepteren en meebewegen met de natuur, aldus dijkgraaf Jan Bonjer en secretaris-directeur Vincent Bergsma van Waterschap Hollandse Delta.

Wie zijn Jan Bonjer en Vincent Bergsma en wat houden de functies van dijkgraaf en secretaris-directeur in?

Vincent Bergsma (VB): “Ik ben opgeleid als accountant bij Deloitte en werk inmiddels alweer dertien jaar bij het waterschap in diverse functies. Sinds maart 2023 ben ik secretaris-directeur van het Waterschap Hollandse Delta. De functienaam heeft twee componenten, namelijk ‘secretaris’ in de zin van adviseur van het bestuur en ‘directeur’ in de zin van algemeen directeur van de ambtelijke organisatie van het waterschap.”

Jan Bonjer (JB): “De functie van dijkgraaf laat zich het best vergelijken met de functie van burgemeester. Als dijkgraaf ben ik voorzitter van zowel het dagelijks als het algemeen bestuur en net als bij een burgemeester vindt benoeming plaats door de Kroon, voor een periode van zes jaar. Het gebied dat onder de verantwoordelijkheid van een waterschap valt is echter veel groter dan van een gemeente. Ter vergelijking: we hebben in Nederland 21 waterschappen en 342 gemeenten. In het gebied van Hollandse Delta liggen belangrijke landschapselementen en infrastructurele objecten als rivieren, stuwen, gemalen, duinen, waterkeringen. Daarnaast hebben waterschappen ook dijken en wegen in beheer. De grote wateren in Nederland worden beheerd door Rijkswaterstaat. Dus ook afstemming met Rijkswaterstaat, de provincie en uiteraard de gemeenten in het verzorgingsgebied is een belangrijke taak van de dijkgraaf. In een ‘vorig’ werkzaam leven was ik hoofdredacteur van het Financieele Dagblad en het Algemeen Dagblad.”

Jan Bonjer: “Na de watersnoodramp in 1953 volgde de aanleg van de Deltawerken, maar dat voorkwam niet dat we in 1995 ruim 200.000 inwoners moesten evacueren uit het rivierengebied”

Wat zijn de taken van een waterschap?

JB: “Een waterschap zorgt voor het waterbeheer in een bepaalde regio, dat betekent het beschermen van het gebied tegen te veel water, maar ook zorgen voor voldoende schoon en zoet water en voor het beheer van de waterwegen. In uitvoerende zin betekent dat onderhoud, renovatie en innovatie van infrastructurele objecten. Maar binnen de waterschappen zijn we ook nadrukkelijk bezig met de toekomst, meer concreet vanuit het nationaal Deltaprogramma.”

Waren we na de Deltawerken niet klaar?

JB: “In 1986 zei Koningin Beatrix bij de oplevering van de stormvloedkering in de Oosterschelde: ‘De Deltawerken zijn voltooid, Nederland is veilig’, maar dat betrof alleen de Deltawerken. Eigenlijk zullen we nooit echt ‘klaar’ zijn. Na de watersnoodramp in 1953 volgde de aanleg van de Deltawerken, maar dat voorkwam niet dat we in 1995 ruim 200.000 inwoners moesten evacueren uit het rivierengebied. Hierop werd gereageerd met het programma ‘Ruimte voor de Rivier’. Vanwege de zich aankondigende effecten van klimaatverandering zijn in 2017 de veiligheidsnormen voor de primaire waterkeringen weer aangepast. Het doel van het nationaal Deltaprogramma is om Nederland in 2050 een klimaatrobuuste Delta te laten zijn.”

Een nationaal Deltaprogramma dus, wat houdt dit in?

JB: “Het kabinet Balkenende had begin deze eeuw het inzicht dat, gegeven de mogelijke veranderingen in ons klimaat, een vervolg op de Deltawerken nodig was. Ze benoemde in 2007 een (tweede) Deltacommissie onder leiding van voormalig minister Veerman. Deze adviseerde een Deltaprogramma te starten, onder supervisie van een regeringscommissaris en met een langjarige financiering via een Deltafonds. De drie pijlers van het Deltaprogramma zijn: waterveiligheid, ruimtelijke adaptatie (inrichting) en zoetwater.”

Jan Bonjer, Waterschap Hollandse Delta: “De grens van wat we nog met beheersing kunnen realiseren in fysieke en financiële zin is op enig moment bereikt”

Waar betekent dat in de praktijk?

JB: “Waterveiligheid betekent werken aan versterking van de dijken, dammen en duinen en het geven van ruimte aan de rivieren om de kans op overstromingen te beperken. Ruimtelijke adaptatie betekent het land zodanig inrichten dat de gevolgen van klimaatverandering (hitte, droogte, wateroverlast en de gevolgen van overstroming) goed kunnen worden opgevangen. Zoetwater betekent het werken aan projecten om te zorgen voor voldoende zoetwater, nu en in de toekomst.”

De term ‘programma’ suggereert dat het eindig is, klopt dat?

JB: “Het Deltaprogramma heeft een horizon die loopt tot 2050, dus dat is een lange periode. In het programma is vastgelegd dat we in 2026 een algehele herziening doorvoeren. Op dit moment kijken we erg uit naar de nieuwe klimaatscenario’s van het KNMI die medio oktober 2023 worden opgeleverd. Recente ontwikkelingen doen vermoeden dat deze mogelijk tot nieuwe inzichten en dus herziening gaan leiden. Ik maak me wel zorgen of we in termen van besluitvorming en financiering voldoende snel kunnen anticiperen en uitvoeren.”

Wat is de belangrijkste opdracht van het nationaal Deltaprogramma?

JB: “Onze moeilijkste opdracht is om dit keer op tijd te zijn. Toen in 1953 de watersnoodramp toesloeg lagen de plannen al klaar. Pas na de ramp was er urgentie. Hetzelfde geldt min of meer voor midden jaren negentig. Ook de plannen om de rivieren meer ruimte te geven lagen al klaar toen in 1993 en 1995 het hoogwater via de Rijn ons land binnenstroomde. Dit keer willen we op tijd zijn, maar ook met een heel ander denkmodel. In het verleden gingen we uit van ‘maakbaarheid’: dijken op sterkte, effectieve afvoer van water, et cetera. We verstoorden het natuurlijke systeem om het beheersbaar te maken. Maar als gevolg van klimaatverandering kan dat niet meer. We moeten de slag maken naar aanpassingsvermogen, acceptatie van onzekerheid en werken met de natuur.”

Vincent Bergsma: “Adaptatie betekent misschien ook dat we moeten leren te accepteren dat we het water niet altijd meer kunnen beheersen”

Dat lijkt nog best lastig met zo veel tegenstrijdige belangen in ons kleine drukke land?

JB: “Dat klopt. We moeten ons tegenwoordig voorbereiden op zowel te veel als te weinig water. Het niveau van het zeewater zal stijgen, maar in de Alpenlanden neemt de hoeveelheid sneeuw af. Schaarste en lagere waterstanden in de rivieren kunnen ook voor Waterschap Hollandse Delta een uitdaging vormen. Daar waar de rivieren de zee in stromen komt het zoute water dan namelijk steeds verder het land in. Zeker omdat we de Nieuwe Waterweg structureel uitbaggeren om voldoende diepte voor de scheepvaart te waarborgen. Zout water is namelijk zwaarder en tongen met zout water komen door het uitdiepen van de Waterweg dieper het land in.”

Hoe erg is dat?

JB: “Dit heeft negatieve gevolgen voor het agrarische achterland. Passen we dit echter aan, en verontdiepen we de Nieuwe Waterweg, dan heeft dit belemmerende effecten op de scheepvaart. Een ander voorbeeld betreft de Maeslantkering die is gebouwd om (met name) de regio Rotterdam te beschermen bij hoge waterstand. De kering zou echter ook gebruikt kunnen worden om zout water op grotere afstand te houden maar ook dit heeft negatieve effecten voor de scheepvaart.”

VB: “Een uitdaging bij het realiseren van infrastructurele werken is dat Nederland een dichtbevolkt land is. Het is daarom lastig om ruimtelijke-ordeningsbesluiten te nemen. Je kunt niet ingrijpen in het landschap zonder dat daar belangen van personen of doelgroepen mee gemoeid zijn. De afgelopen decennia keek het buitenland met afgunst naar Nederland hoe we ons poldermodel hadden ontwikkeld en hoe effectief dat was bij het realiseren van projecten. Maar het polderen raakt een beetje ‘uit’. Het is steeds moeilijker aan het worden. We zijn nu met pakweg tweemaal zoveel mensen als in 1953 en we leven in een andere maatschappij. Dat zorgt voor langere doorlooptijden, hogere investeringen en dat gaat ten koste van de effectiviteit.”

Kun je zeggen dat watermanagement risicomanagement is?

VB: “Dat kun je zo zeggen. Het Deltaprogramma kent dan eigenlijk drie lagen van risicobeheersing. De eerste pijler van het Deltaprogramma betreft waterveiligheid. In deze eerste laag gaat het over de beheersing van waterkwantiteit, bijvoorbeeld door primaire keringen, het op hoogte brengen van dijken en andere misschien meer innovatieve initiatieven. In de tweede laag moet je denken aan adaptatie, de manier waarop we bouwen. Denk daarbij aan hoger bouwen of drijvend bouwen. Als waterschappen moeten we daar meer invloed op gaan uitoefenen via de provincies en gemeenten. De derde pijler van het Deltaprogramma is zoetwaterbeschikbaarheid, hoe zorgen we dat er voldoende zoetwater beschikbaar is.”

Vincent Bergsma, Waterschap Hollandse Delta: “Je kunt niet ingrijpen in het landschap zonder dat daar belangen van personen of doelgroepen mee gemoeid zijn”

Grenzen aan de beheersing, hoe zit dat?

JB: “We komen uit een periode waarin we dachten dat we de wereld om ons heen konden beheersen. Maar de wereld is niet maakbaar. We zullen er in het waterbeheer rekening mee moeten houden dat we steeds vaker met de gevolgen van systeemverstoringen worden geconfronteerd. We moeten leren leven met onzekerheid. Dat betekent ook dat we in onze plannen een verandering moeten doorvoeren van statische planning naar een meer dynamische planning die zich kan aanpassen aan de omstandigheden. In een korte periode kunnen we van een situatie van wateroverschot in een situatie met watertekort terechtkomen, of omgekeerd. Of een onverwachte toevloed van zout water of juist van zoet water. Dat betekent niet alleen adaptatie, maar ook acceptatie dat er soms overlast optreedt.”

Wat vraagt dat van het waterschap?

JB: “Dat vergt veerkracht en flexibiliteit. Niet alleen van het waterschap maar van ons allemaal. Zo maken we een transitie door van ‘strijden tegen het water’ naar ‘meebewegen met het water en de natuur’. Soms gaat het meebewegen met de natuur ook hand in hand met de doelstelling om de waterveiligheid te verhogen. Een mooi voorbeeld is het graven van kerven in de Springertduinen bij Goeree-Overflakkee. Dat lijkt dan tegenstrijdig, maar hierdoor kan het zand beter verstuiven, waardoor de duinen zichzelf breder en robuuster maken.”

Wordt er ook wat van de bevolking gevraagd?

JB: “Bij adaptatie moeten we niet alleen maar aan infrastructurele ingrepen en anders bouwen denken, we zullen ook moeten werken aan de zelfredzaamheid van de inwoners van onze regio. Bij een ramp is het aannemelijker dat je wordt gered door de buurman dan door de overheid. We moeten weer wat meer leren leven met het water, omdat de grens van wat we nog met beheersing kunnen realiseren in fysieke en financiële zin op enig moment is bereikt. En dat is lastig te accepteren voor de gemiddelde Nederlander. We hebben de maatschappij de afgelopen decennia geperfectioneerd, maar wen er maar aan dat er zo nu en dan overlast zal zijn.”

Jan Bonjer: “Bij een ramp is het aannemelijker dat je wordt gered door de buurman dan door de overheid”

VB: “De tweede pijler van het Deltaprogramma betreft ruimtelijke adaptatie. Adaptatie betekent misschien ook dat we moeten leren om te accepteren dat we het water niet altijd meer kunnen beheersen zoals we tot nu toe hebben gedaan. We zullen ons dus ook beter moeten voorbereiden voor als het misgaat. In sommige delen van het Waterschap is evacuatie zeer lastig. Neem bijvoorbeeld Dordrecht dat is gebouwd op een eiland: het eiland van Dordrecht. ‘Verticaal evacueren’ is daar maar beperkt mogelijk vanwege het feit dat er weinig hoger gelegen punten zijn en horizontaal evacueren is ook maar beperkt mogelijk omdat vluchtwegen zoals tunnels en wegen onderlopen en daarmee onbereikbaar worden. Een idee is om op het eiland twee ‘vluchtheuvels’ in te richten. Twee gebieden op het eiland die duidelijk hoger liggen en waar de bewoners dus heen kunnen. Misschien moeten we mensen ook stimuleren om een logeerkamer vrij te houden zodat, in het geval dat gezinnen moeten vluchten voor het water kunnen worden opgevangen.”

Welke lessen hebt u voor de lezers op het gebied van veerkracht?

JB: “Het is belangrijk om tijdig aan de slag te gaan. Veerkracht moet je ook organiseren en plannen. Daarvoor heb je scenario’s nodig. Het is belangrijk om maatregelen uit te voeren voordat je wordt overvallen. Een tweede belangrijke les is dat we werken aan zelfvertrouwen en zelfredzaamheid. Durven we het maakbaarheidsdenken los te laten? En ons aan te passen aan de omstandigheden, in het vertrouwen dat we ons in het geval van overlast of een crisis kunnen redden? Dan kun je veel effectiever met veranderingen omgaan en dat is de essentie van veerkracht.”

 

Over
Jan Bonjer is dijkgraaf van waterschap Hollandse Delta (Kroonbenoeming). Hij komt uit de journalistiek en was onder andere hoofdredacteur van het Financieele Dagblad.

Vincent Bergsma is secretaris-directeur van waterschap Hollandse Delta. Hij heeft een financiële achtergrond en werkte voorheen als afdelingshoofd Financiën en vervolgens als directeur bij hetzelfde waterschap.

Een artikel aanleveren? Lees onze auteursinstructies.
0 likes

Reacties (0)

Wilt u ook een reactie plaatsen?

Voor het plaatsen van een reactie vereisen wij dat u bent ingelogd. Heeft u nog geen account? Registreer u dan nu. Wilt u meer informatie over deze vereiste? Lees dan ons privacyreglement.

Lees meer over dit onderwerp: